Weet jij wat het betekent als je leest over JUS of KUS in je CAO of roosterbeleid? JUS en KUS personeelsplanning zijn twee veelgebruikte methodes om flexibiliteit in roosters en inzet te organiseren. Of je nu wel of niet deze afkortingen kent, de methode is ongetwijfeld bekend. JUS staat voor jaarurensystematiek en KUS voor kwartaalurensystematiek. We leggen uit wat deze begrippen betekenen, wat de voor- en nadelen zijn en hoe je de keuze maakt voor een bepaalde methode.
JUS & KUS zijn twee methodes om flexibiliteit van inzet te organiseren. Beide methodes hebben als uitgangspunt dat een medewerker niet elke week een vast aantal uur werkt, maar kan variëren in het aantal uur per week. Hierbij werkt de medewerker gemiddeld de contracturen, door bijvoorbeeld plus- en minuren te werken. Het verschil tussen JUS & KUS is de periode waarin dit gemiddelde wordt gehandhaafd. De namen van de methodes verklappen het al: bij een KUS moeten de urenbalans van de medewerker elk kwartaal op nul staan, bij een JUS vindt de verrekening na een jaar plaats.
Waar een JUS in veel organisaties gangbaar was, wordt er recent vaak de keuze gemaakt om KUS in te voeren als een optie of zelfs helemaal over te stappen. Zo werd de KUS-methode expliciet genoemd in de meest recente CAO VVT. De JUS is een praktische methode om flexibiliteit in je planning te organiseren, mits je de werkwijze goed beschrijft en borgt. Met een jaarurensystematiek heb je de mogelijkheid om beschikbare uren te verdelen over het jaar, wat goed van pas komt met de veelvoorkomende pieken en dalen tussen de seizoenen. Zo kunnen organisaties ervoor kiezen om medewerkers meer in te zetten in vakantieperiodes om zo een optimale dekking te behouden wanneer er veel verlof wordt opgenomen. Deze plusuren worden gecompenseerd door medewerkers minder in te zetten in periodes wanneer weinig verlof wordt opgenomen.
Dit zijn dan ook meteen de twee grootste valkuilen van de JUS:
Het is dus niet gek dat met deze twee valkuilen veel organisaties op zoek zijn gegaan naar een andere methode. Zie daar de KUS: doordat de urenbalans elk kwartaal op nul moet staan is het eenvoudiger om overzicht te houden. Ook medewerkers begrijpen vaak beter hoe ze ervoor staan qua plus- en minuren. En excessen worden op de urenbalans beperkt omdat er elk kwartaal gecompenseerd moet worden. Klinkt mooi! Maar helaas is het niet zo dat de KUS geen valkuilen kent:
Kortom: er zijn van beide methodes voor- en nadelen. Hoe kies je welke methode bij jouw organisatie past? Ten eerste moet je de basis op orde hebben: goed capaciteitsmanagement met duidelijke inzicht in je benodigde werkvraag en beschikbare capaciteit. Daarnaast een duidelijk proces voor planners om plus- en minuren te balanceren. Daarnaast ook duidelijke spelregels en kaders voor medewerkers: hoe worden mijn uren ingepland? Hoe worden plus of minuren afgerekend en wanneer?
Wanneer de basis op orde is, is het zaak om te kijken naar de behoefte van je organisatie en je medewerkers: heb je een variabele werkvraag dat weinig voorspelbaar is? Dan geeft de KUS-variant mogelijk al veel flexibiliteit en ruimte om uren te balanceren. Heb je als organisatie een werkvraag of capaciteit dat duidelijke pieken en dalen kent? Dan kan de JUS-variant meer gerichte flexibiliteit geven. Voor medewerkers is het nuttig om te inventariseren waar de grootste behoefte ligt: regelmaat in het rooster of juist flexibiliteit op specifieke momenten? Beide methodes kunnen dit bieden, dus goed inventariseren waar de behoefte ligt is belangrijk zodat dit plek krijgt in de spelregels. Want daar valt of staat alles mee: een duidelijk beleid en heldere uitvoering.